Een jongen wordt geboren. Mensen houden van hem, maar niet iedereen. Er is een man die niet van zichzelf kan houden en dus ook niet van de jongen. De jongen begrijpt niet waarom de man niet van hem houdt. Het maakt de man bijzonder. Alle anderen houden van hem, dus waarom hij niet?
De jongen wil dat ook deze man van hem houdt en doet hiervoor zijn best. De man ziet hierin mogelijkheden en zet de jongen aan het werk om zijn liefde te verdienen, maar het werk zal natuurlijk nooit klaar zijn, want de man heeft geen liefde om te besteden. Hij zal zichzelf altijd boven de jongen blijven plaatsen en hem nooit zijn gelijke laten zijn, want dit geeft de man macht. De man ervaart deze macht als erkenning van zichzelf, of zelfs liefde, maar dat is het niet. Het bestaat alleen onder de voorwaarde dat de jongen zich aan hem onderwerpt en voor hem werkt.
De jongen werkt steeds harder voor de man, maar het is nooit genoeg. Anderen volgen de jongen, geïnteresseerd in zijn motivatie en de macht van de man die van niemand houdt. Ook zij ‘vallen’ nu op macht. De jongen volgt het voorbeeld van de man en zet hen ook aan het werk. Alles gaat sneller nu en het stemt de man tevreden. De man ziet dat ook de macht van de jongen groeit en staat toe dat de jongen hierdoor wat meer vruchten plukt van het werk, maar niet teveel. Dit maakt de jongen gelukkiger, al krijgt hij van de man nog altijd niet wat hij aanvankelijk zocht; onvoorwaardelijke erkenning en liefde. Dit interesseert hem niet meer. Met liefde koop ik niets denkt de jongen en kijk wat wij hier voor elkaar krijgen. Iedereen wil hier wel een stukje van.
Er ontstaat een toren van macht. De liefde die niet stroomt van bovenaf komt nergens terecht en er is niets anders dan macht om te verdelen; steeds minder naar beneden toe, maar er wordt wel steeds harder om gevochten. De strijd onderop gaat om leven en dood omdat de verdeling van de vruchten ongelijkwaardig is en dit voedt de macht bovenaan. Hoog in de toren voelen ze zich oppermachtig als ze het gekrioel van de machtelozen aanschouwen en ze krijgen voor hun macht woede terug. De mannen lachen eerst om de woede en daarna is de woede ook van hen, want ze kennen ook geen schuld. Dit is de toren van boze mannen. Macht en woede.
Om de boze mannen heen zijn mensen die wel van zichzelf houden en die de boze, machtige mannen met hun liefde proberen te bereiken, maar dat kan de mannen niets schelen. Ze gebruiken ook deze mensen waardoor hun liefde doodslaat op de muren van de toren. Surrogaatliefde wordt gekweekt. In hun onmacht beperken de liefdevollen zichzelf tot alleen hun lichaam om zich alsnog te kunnen laten ‘vallen op macht’. De machtigen laten hen concurreren met de waarde van hun lichaam.
Liefde wordt alleen nog heel soms beleefd in ‘goeie’ films, muziek of kunst. Er is een kloof ontstaan tussen liefde en de werkelijkheid van de toren. Liefde bestaat alleen nog buiten de toren, waar geen macht bestaat en waar maar weinigen durven te komen. Binnen de toren vecht men voor bestaansrecht en een gevoel van veiligheid, maar er is geen liefde.
Dit verhaal is gebaseerd op de werkelijkheid.